Sarah werd na een moeizame zwangerschap met een keizersnede geboren. Vanaf het allereerste moment was ze opvallend helder: ze sliep weinig en huilen deed ze eigenlijk nooit.
De eerste keer dat Sarah in het ziekenhuis werd opgenomen, was ze negen weken oud. Ze had een luchtweginfectie, ze was uitgedroogd en bleef maar overgeven. Eenmaal thuis ging het spugen door, soms iedere avond en soms een week niet. Sarah belandde regelmatig in het ziekenhuis wegens uitdroging, ze is meerdere malen onderzocht, maar er is nooit een aantoonbare oorzaak voor haar klachten gevonden.
Sarah was klein voor haar leeftijd, maar ze ontwikkelde zich razendsnel: in de achtste maand kon ze zitten. Voordat ze een jaar werd, waren al haar tanden doorgekomen. En toen ze veertien maanden was, sprak ze al hele zinnen. Het was net een volwassenen in een kinderlijfje.
Naarmate ze ouder werd nam het spugen enigszins af. Ze ging naar de peuterspeelzaal en huppelde door het leven als een stralend zonnetje. Ze was een opvallend kindje, net een engeltje met haar blonde haar en blauwe ogen. We werden dikwijls aangesproken door wildvreemden die haar wilden aanraken. "Wat ben je een bijzonder en mooi meisje", werd er dan gezegd.
Na haar derde verjaardag kreeg ze het zwaar te verduren. Ze kreeg longontsteking, twee pseudo-kroep aanvallen en een verstopping in haar dikke darm waarvoor ze een klysma moest hebben. Ze kreeg zulke hevige buikpijn dat ze het uitgilde en het spugen was ook weer begonnen. Op aanraden van de dokter probeerden we een glutenvrij dieet.
Er was geen enkele reden om te denken dat Sarah ooit bij ons weg zou vliegen, toch was ik daar altijd bang voor. Alsof ik van tevoren wist dat we haar niet bij ons zouden mogen houden.
Op Sinterklaasavond kreeg ze buikpijn en moest ze spugen. Maar ze is die nacht gewoon gaan slapen. Om half zes riep ze me. Ze lag op de grond en voelde koud aan. We hebben haar bij ons in bed gelegd, maar ze werd maar niet warm en ze was heel sloom. De huisarts kwam en belde een ambulance. Het ging slecht met haar, je zag haar wegglijden. Eenmaal in het ziekenhuis vertelde een arts ons voorzichtig: "We kunnen niets meer voor haar doen. Uw dochtertje is aan het sterven." Verbijsterd waren we. Ons engeltje weggevlogen.
Na haar overlijden bleek dat haar dunne darm gedraaid in haar buikje lag, deze is om zijn as gaan draaien waardoor de bloedtoevoer stopte. Dit werd haar uiteindelijk fataal. Er had niets aan gedaan kunnen worden.
Ons meisje is nog vijf dagen bij ons geweest, ze lag op haar eigen bedje. Het waren verdrietige, maar ook mooie dagen waarin familie en vrienden langskwamen om afscheid van haar te nemen.
Achteraf denk ik dat Sarah haar einde voelde naderen. Ze tekende de laatste weken alleen maar met zwarte kleupotloden. Dat vond ik alarmerend. Ook haar gezichtje veranderde, ze leek zichtbaar ouder te worden en ze had iets vermoeids. Dat was niet prettig om te zien. De dagen na haar dood heb ik haar aanwezigheid gevoeld, alsof ze ons wilde steunen. Zo werd mijn hand, toen ik de rouwkaart wilde maken, als het ware geleid. Ik wist dat ze er een afbeelding van een huilende Nijntje bij wilde hebben. Hetzelfde gebeurde toen we moesten beslissen over het grafmonumentje. Sarah wilde blijkbaar een regenboog van glas. Het heeft een bijzondere vorm, maar ik kon het zomaar tekenen. En dit kleurige monumentje past precies bij ons vrolijke meisje.
Toen ze thuis opgebaard lag, zijn mijn man en ik bij haar gaan zitten om te vertellen dat ze weg mocht gaan, dat we het zouden redden. Het was of haar zieltje vertrok. We hebben die dag een foto van Sarah gemaakt en tot onze grote verwondering was er na het ontwikkelen een nevel om Sarah te zien en op de gordijnen stond duidelijk: Veel liefs. Het klinkt misschien onwaarschijnlijk, maar ik heb de foto om het te bewijzen.
Tijdens de begravenis voelde ik dat ze bij me was en me de kracht gaf het aan te kunnen. In de lange, lege dagen daarna zag ik haar soms op haar krukje in de keuken zitten. Ze keek alleen maar, maar oh, wat voelde dat goed. Ik genoot van haar aanwezigheid, ik voelde me weer even warm van binnen.
Wanneer we over Sarah praten, komen er vaak witte vlinders aanfladderen. "Hé, ben je er weer?" vraag ik dan. Het is mijn man ook wel een overkomen dat hij op de fiets zat en een witte vlinder langs zijn gezicht vloog. Hij ervaarde het als een kusje van onze Sarah.
Dit artikel is gelezen in: Margriet, week 47, 2000
| Index
| Volgende |