Nieuwsbrief Lieve Engeltjes Nummer 9, september 2003

Column Ellemijn

Op de dag dat ik te horen kreeg dat mijn kindje dood zou gaan, realiseerde ik me één ding pijnlijk hard: Zij ging dood, maar ik niet. Mijn leven zou, hoe leeg het ook zou voelen, doorgaan. En eigenlijk nam ik ook op dat moment, bewust of onbewust, de beslissing om dan ook echt te blijven leven, om er wat van te maken. Om niet samen met Jasmijn en Tijgertje ook mijn levensvreugd kwijt te raken. Niet dat dat altijd even makkelijk was, hoor. Vooral vlak na de dood van ons tweede kindje, is er een tijd geweest dat ik een enorm doodsverlangen had. Niet omdat ik het leven niet meer zag zitten, maar omdat ik mijn meisjes zó intens miste en heilig geloofde dat ik ze terug zou zien als ik, net zoals zij, dood zou zijn. Hoe en waar dat wist ik niet, maar dat het zo zou zijn, stond voor mij als een paal boven water.

In die tijd hebben de kinderen in de buurt me enorm geholpen. Ik paste op ze, speelde met ze, knutselde met ze, maakte meterslange stoeptekeningen met ze en kletste met ze. En oh, wat was dat heerlijk. Wat genoot ik daarvan. Kinderen zijn zo simpel in hun mening, zo vanzelfsprekend, zo natuurlijk en ongedwongen. Op een dag kwamen mijn twee buurmeisjes van vier Esmée en Laura, hartsvriendinnetjes van elkaar, langs onze tuin gehuppeld. Zoals altijd maakten we een praatje door het hek van de tuin. Esmée vroeg me opeens plompverloren: "Zeg Ellemijn, waarom heb jij geen kindjes?" Ik stond even met mijn mond vol tanden. Wat moest ik hierop antwoorden? Ik wilde niet liegen, maar ja, ik wilde die twee kleintjes ook niet zomaar met de harde waarheid confronteren. Ik stotterde dus dat dat nog niet zo wilde lukken, waarop Laura, al weghuppelend, nonchalant riep: "Oh, dat geeft niet hoor, dat komt nog wel." En de vanzelfsprekendheid waarmee ze het zei, gaf me zo'n moed, onvoorstelbaar.
Maar het waren niet mijn eigen kinderen, dus na zo'n paar uur genieten, was ons huis weer leeg en de stilte was overweldigend.

stoepkrijten

Gelukkig werkte ik in die tijd heel erg veel. Samen met John Jones en André Breedland maakte ik "Weekly Jones" en als ik daar mee bezig was, vergat ik alles. Nou ja, als ik een scène aan het opnemen was of als we opnames hadden met een live-publiek, dàn was ik alleen nog maar met mijn vak bezig, met lekker ongedwongen plezier hebben. Maar tussen de scènes door was het soms een groot tranendal. Helemaal rond de tijd dat ik weer ongesteld moest worden! Mijn visagiste, Corina, heeft heel wat keren mijn make-up opnieuw moeten aanbrengen omdat ik alles er af had gehuild! En zij en Charlie en Bea, van de kleding, hebben echt urenlang naar me geluisterd en me moed ingesproken. Nooit waren ze te moe om nog een keer naar hetzelfde verhaal te luisteren. En geloof me, we werkten kei- en keihard, maakten ellenlange dagen, dus iedereen was echt heel erg moe.
Maar hoe dan ook, het werk hielp me om te blijven leven, om te genieten van het leven.

Hoe groots en meeslepend dat verdriet ook was, en trouwens soms nog steeds is, ik vond dat ik het aan mijn kinderen verschuldigd was om de leukste moeder van de hele wereld te zijn. Juist op de dagen dat ik het echt niet meer zag zitten en 's ochtends huilend onder de douche stond of snikkend in mijn bed lag, deed ik extra mijn best om me mooi aan te kleden, me op te maken, verse bloemen in huis te halen, lekker te koken of gezellig uit te gaan. En het hielp. Het was niet altijd even eenvoudig, maar meestal vond ik wel iets wat de moeite waard was om de dag weer mee door te komen.

Dat is ook een van de dingen die me het meest treft bij sommige lotgenoten. Ze verliezen niet alleen hun kindje, maar ook zichzelf. En dat is oneerlijk tegenover dat kindje. Want in wezen geef je de schuld van jouw ongeluk dan aan je kind, terwijl dat kind er helemaal niets aan kan doen dat hij of zij dood is gegaan.

Ik herinner me nog goed dat ik, nadat Jasmijn was geboren, soms vurig wenste dat ik iemand de schuld kon geven van haar overlijden, dan kon ik ten minste iets doen met al dat verdriet. Dan kon ik al die energie bundelen in het achtervolgen van die persoon! Maar ik realiseerde me al snel dat dat ook niets zou opleveren. Ik zou er alleen maar ongelukkiger van worden. Ik ben heel erg lang boos geweest op de kindercardiologe. Zij sprak bij mijn binnenkomst meteen een waardeoordeel over mij uit. Ze wierp één blik op me en zei: "Aha, die mevrouw kennen we van de tv." Door de toon waarop ze dit zei, was me meteen duidelijk dat ze haar mening al klaar had en die was niet positief. Misschien zat ik er compleet naast, maar zo heb ik het toen ervaren. En zo heb ik het ook gebruikt, want zij is degene waar ik al mijn boosheid, een belangrijk onderdeel van het rouwproces, op heb geprojecteerd. Misschien ten onrechte, dat zeg ik er eerlijk bij, maar tot op de dag van vandaag gaat mijn bloed koken als ik aan haar denk.

Mijn vak is ontzettend leuk en heeft enorm veel voordelen, maar ten tijde van Jasmijn zijn we ook op een hele harde manier geconfronteerd met de nadelen er van. Natuurlijk waren er de reportages in de roddelbladen, maar die hoef je niet te lezen, die kun je met een beetje pijn en moeite negeren. Maar mensen hebben toch een bepaald beeld van je en bepaalde verwachtingen. En er waren mensen die dachten dat een gehandicapt kindje niet bij onze "glamour" levensstijl paste. Dat wij geen zin hadden in een kindje dat regelmatig geopereerd moest worden. Of dat wij geen kind met Downsyndroom (waar ook nog even sprake van was) wilden hebben. Niets was minder waar. Mijn hele carrière had ik zo aan de kant gesmeten als ik daarmee onze kinderen had kunnen redden! Ik zou er voor gezorgd hebben dat Jasmijn de leukste mongool van heel Nederland was geworden en zelf zou ik de leukste mongolenmoeder zijn geworden! Ik zou nooit meer naar een première zijn gegaan, geen applaus meer hoeven hebben, geen celebrity-party meer hebben bijgewoond als ik mijn kindjes bij me had mogen houden. Met een gebrek of een handicap, het maakt niet uit. Als hun leven maar kwaliteit had gehad. En helaas was dat niet zo. Jasmijn en Tijgertje waren allebei zo ziek, dat hun leven zou hebben bestaan uit vegeteren. Een kind zoiets aandoen, konden Joost en ik niet over ons hart verkrijgen. Dàt was niet het beeld dat wij hadden van ons kind. Wij wilden onze kinderen kansen bieden. Wij wilden ze laten leven, echt leven. En toen dat niet mogelijk bleek, hebben we besloten ze de kans te bieden te sterven.
Uit respect voor het leven. Uit liefde.

Ellemijn Veldhuijzen van Zanten